The Global Villains

Botsende belangen in een wereld die steeds kleiner wordt.
The Global Villains

iBlood

In mei 2010 werd bekend dat er onder fabrieksarbeiders bij Foxconn in China een hoog aantal zelfmoorden plaatsvond (Hamel, 2010). De zware omstandigheden waaronder deze werknemers moesten werken werden als belangrijke reden aangedragen. De berichtgeving was nieuwswaardig omdat bij Foxconn onder andere producten van Apple, HP en Dell van de band rollen; bedrijven die gezamenlijk een aanzienlijk aandeel hebben in de markt van consumer technology. Direct kwamen dan ook mensenrechtenactivisten in actie, pleitend voor veranderingen. Hoewel Foxconn in eerste instantie vond dat de berichtgeving was uitvergroot, kondigde Apple onafhankelijk onderzoek aan en verklaarde Foxconn aan betere arbeidsomstandigheden te werken (Volkskrant, 2012). Daarmee leek de kous af, maar de Hong Kongse organisatie Sacom rapporteerde onlangs dat er eigenlijk niets is veranderd (Mous, 2012).

Zijn de gadgets die ieder jaar hun weg naar de markt vinden moderne bloeddiamanten geworden?Stel je een consument voor die in de trein op zijn iPad het nieuwsbericht leest dat arbeiders die zulke apparaten in elkaar zetten zelfmoord plegen. Het is een paradoxaal idee: dergelijk nieuws bereikt ons middels een technologie die zonder die arbeiders niet was gemaakt, althans niet voor de prijs die we ervoor betalen. Tegelijk is het nu juist de beschikking over die technologie die het mogelijk maakt dat wij onszelf informeren over de omstandigheden van die arbeiders. Door de technologie hier worden we ons bewust van de arbeider daar. De arbeider krijgt een gezicht en we vormen ons een beeld van een persoon die – letterlijk – aan de andere kant van de wereld woont. Plots kijken we door het product heen en zien we de omstandigheden erachter. Alsof een Antwerpse juwelier in de weerspiegeling van zijn bloeddiamant het gezicht ziet van de kindsoldaat uit Angola.

Wat moet deze consument met dit nieuwsbericht? Hij is zojuist onherroepelijk en tweevoudig verbonden met de Foxconn-arbeider; in eerste instantie door het nieuwsbericht (de content), maar misschien nog wel meer door de iPad (het medium). Het is mogelijk dat de iPad in de handen van deze treinreiziger ook in handen van die arbeider is geweest. Is deze consument daardoor nu medeplichtig aan de omstandigheden van deze fabrieksarbeider? Zijn de gadgets die ieder jaar hun weg naar de markt vinden moderne bloeddiamanten geworden?

Waar we eerst nog konden spreken van een arena waarbinnen de werkgever en werknemer met elkaar tot een oplossing moesten zien te komen, wordt nu ook de consument in het speelveld geplaatst. Hiermee veranderen de onderlinge verhoudingen, maar de vraag is wie in staat is tot welke maatregelen. Is het survival of the fittest en moet de arbeider zijn eigen broek ophalen? Of moet de consument iets aan de omstandigheden van de arbeider doen? Kan hij er wat aan doen, of heeft uiteindelijk toch de fabrikant de touwtjes in handen?

Vooruitblik

In dit essay ga ik in op de speed-up die Marshall McLuhan (1964) ziet plaatsvinden in de wereldwijde ontwikkeling naar een global village toe. Hierin zal ik kritiek uiten op de keuze voor de metafoor van het dorp, maar ik zal vooral betogen hoe deze speed-up met name ten dienste van financiële belangen geneigd is om niet stil te staan, maar ook niet te snel te gaan. Hierop volgend zal ik betogen dat we binnen iedere actant van Bruno Latours actor-network-theory (ANT) moeten erkennen dat economische afwegingen een grote rol spelen, waardoor we ons moeten afvragen of geld een status aparte toegewezen zou moeten worden binnen ANT. Tegelijk zal ik aantonen dat we niet kunnen spreken van economisch determinisme, omdat mensen als actant kunnen kiezen om zich niet te onderwerpen aan de economische druk, zij het met moeite.

Pas als we die rol van de economische druk in kaart hebben gebracht, kunnen we opnieuw kijken naar de eerder genoemde arena en onszelf de vraag stellen of de arbeider, consument en fabrikant in staat zijn om iets te doen aan deze omstandigheden.

Een globaal dorp

Het was de mediawetenschapper Marshall McLuhan (1964) die meende dat technologie zorgt voor een speed-up die ons dichter bij elkaar brengt. Hij wierp de term global village op om aan te geven in welke richting technologie ons drijft en zei dat de “civilisation […] is suddenly experiencing an instantaneous reassembling of all its mechanized bits into an organic whole. This is the new world of the global village” (p. 106). Als gevolg van de speed-up ziet McLuhan de verhoudingen tussen mensen veranderen: “The alteration of social groupings, and the formation of new communities, occur with the increased speed of information movement” (p. 103). Deze veranderingen zijn overigens niet per se positief, zo maakt McLuhan duidelijk in een interview: “When people get close together, they get more and more savaged and impatient with each other” (1977).

When people get close together, they get more and more savaged and impatient with each other.De definitie ‘global village’ kan verwarrend zijn omdat de metafoor van een dorp enerzijds het beeld kan oproepen van een statische woongemeenschap waar weinig activiteit plaatsvindt, anderzijds kan het misschien wel enigszins dynamisch gedrag vertonen, maar dan in trage vorm, of als integratie binnen een groeiend conglomeraat. Beide beelden passen niet bij de ontwikkeling die McLuhan tracht te omschrijven, aangezien hij ten eerste een implosie waarneemt en dit ten tweede als een proces ziet. Binnen de metafoor van de global village moeten we dan ook vermijden om ons in te beelden hoe bijvoorbeeld de Nederlandse consument en de Chinese arbeider recht tegenover elkaar staan (statisch), of iedere paar maanden dichter naar elkaar in de buurt verhuizen (half-dynamisch). Het beeld moet juist zijn dat zij in voortdurende beweging zijn en geleidelijk steeds dichter tot elkaar naderen. Ondanks deze kritiek spreekt McLuhans metafoor wel zo tot de verbeelding dat ik deze ook in dit essay zal hanteren, in acht nemende dat we ons niet laten verleiden tot eerdergenoemde verkeerde interpretaties.

Macht

Terug naar de speed-up. McLuhan draait er niet omheen als hij beschrijft wat hierachter de drijfkracht is: “The point of the matter of speed-up by wheel, road, and paper is the extension of power in an ever more homogeneous and uniform space” (1964, pp. 105-106). De technologische speed-up staat dus in wezen in dienst van machtsuitbreiding. En waar McLuhan in bovenstaand voorbeeld de politieke macht van het Romeinse Rijk bedoelt (p. 106), kunnen we hier tegelijk evengoed spreken van een economische macht, al was het maar omdat het wiel, de weg en het papier goederen zijn met economische waarde. Zonder deze economische goederen (en dus economische macht), zou de politieke macht zich niet kunnen uitbreiden. De politieke macht is dan ook onderhevig aan de economische macht.

Voordat we ons verder gaan verdiepen in hoe de economische macht zich dan uitbreidt middels de speed-up – en de paradox die dit met zich meebrengt – is het goed om een moment stil te staan bij de manier waarop machten op elkaar inwerken. Hoewel hier veel verschillende theorieën over zijn, en het te ver buiten de kern van ons betoog staat om hier uitgebreid op in te gaan: we moeten ons er op z’n minst bewust van zijn dat het net zo moeilijk steekhoudend is om te stellen dat we leven in een puur menselijk gestuurde wereld als om te stellen dat we leven in een puur materieel gestuurde wereld. Dit kunnen we inzien aan de hand van een voorbeeld uit de actor-network-theory – of ANT, onder andere uitgedragen door Bruno Latour (2005). In de basis houdt deze theorie in dat allerlei ‘actanten’ zich tot elkaar verhouden in een netwerk. Deze actanten zijn niet alleen mensen of objecten, maar bijvoorbeeld ook instanties. Een bekende illustratie om ANT te verhelderen wordt aangehaald door Lynnette Khong (2003), namelijk die van de speed bump. Wanneer de chauffeur van een auto een snelheidsdrempel nadert, dan verhouden de chauffeur en snelheidsdrempel zich tot elkaar, of beide entiteiten dit nu zouden willen of niet. De actanten zijn met elkaar verbonden in een netwerk, hoewel we dit netwerk niet letterlijk moeten zien:

Network is a concept, not a thing out there. It is a tool to help describe something, not what is being described. It has the same relationship with the topic at hand as a perspective grid to a traditional single point perspective painting: drawn first, the lines might allow one to project a three-dimensional object onto a flat piece of linen; but they are not what is to be painted, only what has allowed the painter to give the impression of depth before they are erased.
(Latour, 2005, p. 131)

Het is belangrijk dat we ons hiervan bewust zijn, omdat we in ons verdere betoog niet moeten vervallen in essentialistisch denken, waarbij we macht te snel toekennen aan een enkele entiteit, zonder naar de verhoudingen in het netwerk te kijken. Tegelijk zullen we in dit betoog langzaam tot de beredenering komen, dat we in de werking van de verschillende machten moeten inzien dat de werking ervan zich voortdurend verhoudt tot economische beweegredenen. De beschrijving van Latour, om de werking van macht trachten te zien binnen een netwerk van actanten voldoet wellicht dan ook niet als we bij elke actant kunnen herleiden hoe ook een economische macht aan het werk lijkt. Dit ‘profijtbeginsel’ lijkt dan ook niet een entiteit te zijn die binnen het netwerk geplaatst moet worden, maar is er dan één die zo dominant fungeert, dat we deze wellicht een status aparte zouden moeten toewijzen.

Politieke en economische macht

Met dit in het achterhoofd wenden we ons weer tot de speed-up en hoe deze uiteindelijk in dienst staat van de uitbreiding van macht. Bij politieke macht moeten we vandaag de dag echter niet zozeer denken aan McLuhans klassieke beeld van Romeinse oorlogvoering; twee legers die tegenover elkaar staan. Hedendaagse politieke macht manifesteert zich veel eerder in subtiele vormen van disciplinerende druk die uitgeoefend wordt op een maatschappij dan middels rigoureuze militaire oppressie. In Postscript on the Societies of Control vat de Gilles Deleuze zijn collega en landgenoot Michel Foucault samen als hij stelt dat de maatschappij gevormd door zogenaamde disciplinerende ‘mallen’ (Deleuze, 1992, p. 3). Dit kunnen instanties zijn zoals scholen, verenigingen en werkomgeving, maar ook gezinnen, ziekenhuizen en gevangenissen. Foucault zelf zet dit af tegenover de vroegere disciplinerende methodes, zoals het schavot en de schandpaal, die in zijn ogen niet economisch en efficiënt waren, onder andere omdat die eenvoudig tot ‘social disturbance’ konden leiden (Foucault, 1995, p. 61). Foucault betoogt in zijn boek dat de wijze van strafmaatregelen en discipline een metamorfose hebben ondergaan en zich nu manifesteren in een veel subtielere vorm van controle, gericht op de moraal van de maatschappij (1995).

Belangrijk is hier dat we zien dat de veranderingen die hebben plaatsgevonden in die metamorfose vooral economischer (en dus efficiënter) bleken te zijn. Hoewel de politieke macht zich daarmee nu dus op een andere wijze uit dan enkele eeuwen geleden – en deze zelfs nog verder staat van het beeld dat we kennen uit het Romeinse rijk – we spreken hier slechts over de vorm waarin macht geuit wordt. Ook al is deze vorm subtieler en minder opzichtig, het doel blijft gelijk, namelijk om economisch efficiënt macht uit te oefenen. Dit onderbouwt het standpunt dat politieke macht onderhevig is aan de economische macht. Sterker nog; de vorm waarin de politieke macht vandaag de dag wordt geuit heeft juist zulke grote veranderingen doorgemaakt om dit economische doel te blijven dienen, ze bleek immers efficiënter. We zien dit doel ook terug in de manier waarop we binnen de idee van een society of control zien hoe de moraal is gericht op het behoud van en de voorkeur voor uitbreiding van de economische en politieke macht. Dit zien we ook als Foucault (1995) de Panopticon beschrijft, de metafoor van een gevangenis in de vorm van een panopticum die de auteur hanteert om de manier de illustreren waarop de society of control werkt:

The Panopticon, on the other hand, has a role of amplification; although it arranges power, although it is intended to make it more economic and more effective, it does so not for power itself, nor for the immediate salvation of a threatened society: its aim is to strengthen the social forces – to increase production, to develop the economy, spread education, raise the level of public morality; to increase and multiply.
(pp. 207-208)

Zo zijn de scholen, barakken en fabrieken erop gericht om de maatschappij te modeleren in de richting van een geleerde gedisciplineerde productiemaatschappij. En hoewel de barakken meerdere functies vervullen, ze dienen ook het doel om zowel politieke macht vast te houden als de potentie om deze uit te breiden. In datzelfde licht kunnen we de ziekenhuizen en gevangenissen zien als ‘back-up-mallen’ voor hen die lichamelijk of moreel buiten de boot vallen. Alsof dit tweede pogingen zijn om ‘afvalligen’ weer op de rails te krijgen.

De ‘global villain’

Nu we zien dat politieke en economische macht op diverse manieren werkt om zich uit te breiden of op zijn minst om zichzelf in stand te houden (al zij het in andere vormen dan vroeger) en we zien hoe onder andere de speed-up als instrument dient om dit doel te bereiken, moeten we ons afvragen hoe het komt dat de speed-up zich niet met een onbegrensde snelheid voortzet. Immers; als de speed-up meer (economische) macht voortbrengt, dan faciliteert dat vervolgens nieuwe middelen om diezelfde speed-up mee voort te zetten – en daarmee de uitbreiding van de macht. We kunnen hierbij denken aan McLuhans voorbeeld van de ‘wheel, road, and paper’, economische goederen die enerzijds nodig zijn voor de speed-up, en daarmee tegelijk opnieuw en in grotere mate gefaciliteerd worden door diezelfde speed-up. Het roept het beeld op van op een zwart gat, een ster die zo’n grote massa heeft dat de zwaartekracht alles naar zich toetrekt. Hierdoor neemt de massa nog meer toe, met het gevolg dat de ster opnieuw in zwaartekracht toeneemt en nog meer naar zich toe weet te trekken.

In de praktijk zien we echter dat bovengenoemde vergelijking helemaal niet opgaat als we kijken naar de ontwikkeling van de global village. De ontwikkeling zet zich niet ongeremd versnellend voort; de speed-up heeft niets weg van een entiteit dat met onbegrensde macht door niets en niemand tegengehouden wordt. Al denken we alleen maar aan het voorbeeld uit de inleiding en hoe het protest van mensenrechtenactivisten de productiesnelheid op z’n minst heeft bevraagd en daarmee onder druk heeft gezet. Maar wat is dan de global villain, wat is het verschijnsel dat de speed-up ervan weerhoudt zich ongeremd voort te zetten? Hiervoor wenden we ons weer tot McLuhan, die binnen het proces van de veranderde omstandigheden waarneemt dat er iets gebeurt met het onderlinge verantwoordelijkheidsgevoel:

Electric speed […] has heightened human awareness of responsibility to an intense degree. It is this implosive factor that alters the position of the Negro, the teenager, and some other groups. […] They are now involved in our lives, as we in theirs, thanks to the electric media.
(1964, p. 7)

Waar McLuhan in 1964 nog spreekt over ‘the Negro’, zouden we vandaag de dag kunnen denken aan allochtonen, maar ook – als we buiten onze landgrenzen gaan – aan de Foxconn-arbeider. Het is precies die ‘human awareness of responsibility’ waarop de iPad-consument wordt aangesproken als we door de bril van McLuhan kijken naar de situatie uit de inleiding. Het is precies dit verantwoordelijkheidsgevoel dat de mensenrechtenactivisten ertoe aanzette op te roepen tot betere arbeidsomstandigheden voor mensen die zij nog nooit in levende lijve ontmoet hebben. En het is precies die roep die opgepakt wordt door de media en die ertoe leidt dat Apple en Foxconn meedelen dat ze maatregelen nemen. Maar bovenal bevinden we ons hiermee op het kruispunt van onze paradox: het is een roep tegen de speed-up, gefaciliteerd door de speed-up.

De botsing

We hebben gezien dat de speed-up enerzijds ten dienste staat van de economische (en politieke) macht, maar dat de mate van verantwoordelijkheidsgevoel tegelijkertijd toeneemt gedurende de ontwikkeling van de global village. Dit brengt de speed-up in een spagaat, want er komt dan een moment dat de speed-up zo ver ontwikkeld is dat we belanden bij ons voorbeeld uit de inleiding; de consument raakt middels (door de speed-up gefaciliteerde) technologie betrokken bij de arbeider die nodig is om diezelfde speed-up te faciliteren. Het verantwoordelijkheidsgevoel tegenover de arbeider neemt toe en de speed-up staat daarmee even niet langer ten dienste van de economische macht, immers; het brengt de productie in gevaar. De speed-up ging te snel en struikelde over zijn eigen benen. In deze val, die ertoe zou kunnen leiden dat de speed-up geheel tot stilstand komt, zijn er echter nog wel verschillende scenario’s mogelijk die de speed-up weer op de been kunnen helpen. Zo zou de speed-up af kunnen remmen om daarna de pas weer te vervolgen, of de speed-up zou zelfs een stap terug kunnen doen om zich te hervatten.

We moeten ons op dit punt echter niet laten verleiden tot de gedachte dat de speed-up zichzelf bestuurt, of dat er een automatische piloot achter het roer zit. Als McLuhan stelt dat de speed-up machtsuitbreiding ten doel stelt (1964, pp. 105-106), dan lijkt hij de speed-up zelf daarmee ook een mate van macht toe te kennen. Hoewel daar best wat voor valt te zeggen, toch moet de speed-up zijn toegekende macht – voor zover die reëel is – alweer snel inleveren bij de financiële macht. We kunnen namelijk moeilijk stellen dat de technologie zich ontwikkelt als een ongeleid projectiel, waarbij geen mens invloed heeft op het ontwikkelingsproces. De eerste fase van een nieuwe technologie is immers dat deze uitgevonden, bedacht of ontdekt moet worden. En of dit nu door toeval plaatsvindt of niet, zonder betrokkenheid van een mens kan de openbaarwording van die technologie in elk geval niet plaatsvinden. Je zou hiermee een sociaal constructivistisch standpunt in kunnen nemen, maar toch zal deze mens hoe dan ook in die ontwikkeling op enig moment een economische afweging moeten maken, met enerzijds – in een non-profit-situatie – de vraag of de ontwikkeling niet te veel kost, en anderzijds de commerciële vraag: levert het uiteindelijk genoeg op? Als we dan in de serie technologieën die de speed-up vormen, steeds momenten kunnen herleiden waarop die economische afweging genomen wordt, dan volgt hieruit dat ook de manier waarop de speed-up zich ontwikkelt, onderhevig is aan diezelfde economische afwegingen. Met dit in het achterhoofd wenden we ons tot de verschillende scenario’s waarmee de dreigende val van de speed-up weer opgelapt kan worden.

…toch zal deze mens hoe dan ook in die ontwikkeling op enig moment een economische afweging moeten maken…Eén scenario is om het verantwoordelijkheidsgevoel af te doen nemen. Het geweten van de consument kan worden gesust door de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Zo is het mogelijk om de werkdruk te verlagen (minder productie) of om de beloning te verhogen (duurdere productie). In beide gevallen komt het productieproces onder druk te staan en neemt de speed-up als het ware gas terug. Hoe dan ook wordt het geweten gesust en verdwijnt de roep van mensenrechtenactivisten op de achtergrond. Het is dan ook niet zo vreemd als we zien dat er niets verandert aan arbeidsomstandigheden wanneer de storm al gaat liggen nadat er enkel is aangekondigd dat er onderzoek ingesteld gaat worden. Het is immers in het economische belang van de speed-up om de negatieve druk op de productie zo snel mogelijk weer aan te passen. Binnen dit scenario valt dan dus ook de pretentie om het verantwoordelijkheidsgevoel af te doen nemen.

Een tweede scenario is dat de speed-up zich als het ware omkeert. De steeds kleiner wordende global village zet zich dan voor een moment weer uit; de implosie zet zich voor even om in een explosie. Dit is een rigoureuze omwenteling en het lijkt vanzelfsprekend dat dit een maatregel is die zelden voorkomt, alleen wanneer het strikt noodzakelijk is om de economische macht te behouden. Zoals de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog delen van ons land onder water zetten – en duur veroverd land daarmee vrijwillig opgaven – om de geallieerden er hiermee van te weerhouden om een veel groter bezet gebied te kunnen veroveren, zo zet ook de steeds meer gecomprimeerd wordende global village zich voor een moment weer uit.

Een voorbeeld hiervan vinden we in Facebook, dat begin 2009 onder vuur kwam te liggen nadat het bedrijf nieuwe gebruiksvoorwaarden had doorgevoerd. Met deze voorwaarden claimde het bedrijf achter de sociaalnetwerksite alle rechten op door gebruikers geplaatste content, zelfs als gebruikers dit later weer zouden verwijderen. De reden hiervoor mag duidelijk zijn; als Facebook eigendomsrechten heeft op alle content, dan is dit een schat aan informatie voor adverteerders, en dus een schat aan economische waarde voor Facebook zelf. De nieuwe voorwaarden schoten bij veel mensen echter in het verkeerde keelgat en reeds enkele weken later werd besloten om terug te gaan naar de oude voorwaarden (Zuckerberg, 2009). Doordat deze ommekeer al binnen enkele weken werd gemaakt, kunnen we hier slechts spreken van een kleine explosie. Dat is direct ook de reden waarom dit scenario kon worden gekozen; als Facebook al jaren zou profiteren van de nieuwe voorwaarden, dan was de stap terug economisch gezien veel groter geweest.

Een laatste scenario is dat de speed-up zich onverminderd voort zou kunnen zetten. Hierbij wordt het verantwoordelijkheidsgevoel afgewenteld of gesust zonder dat de kosten stijgen én zonder de productie te vertragen. Als de speed-up zelf handelingsvermogen had dan zouden we hier zien dat de speed-up altijd deze route zou bewandelen. We moeten ons er hier echter opnieuw van bewust zijn dat de speed-up onderhevig is aan economische machtsuitbreiding en dat de productie in dit scenario dus hoe dan ook economisch onder druk komt te staan, of zich dit nu op kostenniveau of op snelheidsniveau afspeelt. De manier waarop dus gepoogd zal worden om het verantwoordelijkheidsgevoel af te doen nemen, zal dan ook de meest economische zijn.

Van het kastje naar de muur

Binnen het laatstgenoemde scenario zijn verschillende manieren mogelijk waarop het geweten gesust kan worden. Als we opnieuw ons voorbeeld uit de inleiding erbij halen, zien we in eerste instantie dat de consument op zijn verantwoordelijkheidsgevoel wordt aangesproken. De eerste oplossing wordt vervolgens echter gezocht binnen het domein van de producent; de mensenrechtenactivisten pleitten immers vooral voor veranderingen die Apple en Foxconn zelf zouden moeten doorvoeren. Als dat de oplossing zou zijn, dan zou het geweten van de consument gemakkelijk gesust kunnen worden; die hoeft er zelfs niet voor te doen.

Zoals we gezien hebben gaat de fabrikant hier echter niet zo gemakkelijk in mee. Een belangrijk argument voor een producent om de kosten laag te houden, is de concurrentie. Immers; als er andere fabrikanten zijn die dezelfde producten maken voor een lagere kostprijs, dan is de keuze door de consument snel gemaakt. De fabrikant gooit het probleem hiermee op een ‘het is nu eenmaal zo’-houding tegenover de marktwerking en legt de bal daarmee eigenlijk terug bij de consument. Tegelijk geeft de fabrikant toe dat er wel wat aan het probleem te doen is; de arbeidsomstandigheden kunnen aangepakt worden, maar tegen een prijs die de consument niet bereid is te betalen. Dit argument valt te betwisten, ten eerste omdat de vorm van het argument ons dwingt om de overweging van de consument puur op economisch niveau te benaderen. Dit houdt het standpunt overeind dat we het profijtbeginsel een macht moeten blijven toekennen en de fabrikant gaat voorbij aan de mogelijkheid dat de consument vanuit humanitair oogpunt bereid zou kunnen zijn om van een puur economische afweging af te zien. Ten tweede maakt de fabrikant hiermee al een keuze voor de consument, terwijl hij deze keuze – als hij echt gelijk heeft – aan de consument zou moeten laten: de consument kan de mogelijkheid gegeven worden om meer te betalen. In beide gevallen kunnen we in elk geval opnieuw weer spreken van een economische afweging.

Hiermee heeft de economische macht de producent als het ware in zijn greep. Het lijkt er immers op dat de producenten met het handelingsvermogen om wel wat aan de speed-up te doen, tegelijk daarmee de mogelijkheid hebben om ook heel veel geld te verdienen. Want zelfs in de overweging om de speed-up een halt toe te roepen, is de redenering snel gemaakt dat er dan wel een concurrent is met dezelfde middelen of mogelijkheden, die wel doorzet en uiteindelijk hetzelfde geld verdiend onder dezelfde omstandigheden. Het probleem verdwijnt dan dus niet, maar verschuift.

We kunnen hieruit afleiden dat de producent wel de mogelijkheden heeft om de speed-up op zijn minst voor enige tijd te kunnen vertragen, maar dat dit niet in zijn economische belang is. Als de producent de speed-up dus wil vertragen, moeten we concluderen dat de producent zijn economische macht hiermee laat varen, waarmee op termijn de controle over de speed-up uit zijn handen glipt. Dit betekent gelijk dat we de oplossing om de speed-up tegen te houden niet kunnen vinden bij de producent, die buitenspel is gezet door zijn eigen economische macht. De twee overgebleven spelers in de arena zijn daarmee enkel nog de arbeider en de consument, waarmee we onze laatste deur openen in dit betoog.

De arbeider en de consument

McLuhan kent macht aan mensen toe; ‘wij zouden de speed-up kunnen stoppen: “By knowing how technology shapes our environment, we can transcend its absolutely determining power.” (Kostelanetz, 1967, para. 26) Als we tot nu toe echter voortdurend hebben gezien dat ieder mens als actant een economische afweging moet maken, dan wordt daardoor uiteindelijk ook de richting bepaald. We moeten onszelf daarom afvragen: Als iemand de speed-up al zou kunnen stoppen, heeft die persoon daar dan ook economisch belang bij?

Zo kan de arbeider de speed-up wellicht voor even stoppen of vertragen door zijn werk neer te leggen, aangezien hij onderdeel is van het productieproces die de speed-up faciliteert. Daarbij kunnen we er moeilijk omheen dat dit een economische afweging is; de arbeider moet zichzelf (en mogelijk zijn gezin) in levensonderhoud voorzien. De eerder genoemde ‘concurrentie-redenering’ van de producent geldt dan ook evengoed voor de arbeider. Sterker nog; een arbeider achter de lopende band is veel sneller te vervangen dan het tijdsbestek waarin een producent zich zorgen moet gaan maken voor zijn hachje. Dan rest de mogelijkheid van de arbeider om een vuist te maken met collega’s en een vakbond te vormen. Maar als zo’n vakbond al voet aan de grond krijgt, dan zullen de beweegredenen toch vooral zijn om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, niet zozeer om de speed-up een halt toe te roepen. Dat zou de (economische) arbeidsomstandigheden immers niet verbeteren; de hele fabriek zou zonder werk komen te zitten.

En daarmee bevinden we ons terug bij de consument, de iPad-lezer in de trein. Heeft hij er baat bij om de speed-up een halt toe te roepen? En wat is zijn bestek, wat kan hij doen? Allereerst moet de consument inzien dat hij misschien wel laatste strohalm is die de touwtjes in handen zou kunnen hebben; de fabrikant en de arbeider zijn allebei – ongewild of niet – gevallen in de greep van de economische macht. Zo moet nu ook de consument een afweging maken; ook hij kan zich laten leiden door de economische afwegingen, óf kan hij zoeken naar manieren om de speed-up te stoppen.

Allereerst moet de consument inzien dat hij misschien wel laatste strohalm is die de touwtjes in handen zou kunnen hebben Daarbij mag gelijk duidelijk zijn dat de consument in zijn eentje kansloos is. Net als de producent en de arbeider is hij vervangbaar. Pas als de consument zich weet te groeperen, een vuist weet te maken die groot genoeg is, dan kan er iets bewerkstelligd worden. Als alle consumenten immers gezamenlijk zouden besluiten om een specifiek product te boycotten, dan zou daarmee de fabrikant onder druk gezet worden. Die zou – al was het uit puur economisch eigenbelang – de eisen van de consument moeten inwilligen. Maar ook hier zien we dan weer dat – zelfs als het motief van de consumenten niet economisch en zonder eigenbelang is – de economische afweging van de producent uiteindelijk de doorslag geeft. De consument bereikt dan dus misschien wat hij wil, handelt naar zijn verantwoordelijkheidsgevoel en zet voor zichzelf het economische belang buitenspel, maar op het niveau van de fabrikant blijft de economische macht net zo reëel. Voor hem is het uiteindelijk niets meer dan een noodzakelijke maatregel om het verantwoordelijkheidsgevoel weer eens te sussen en de speed-up voort te kunnen zetten. De boycot van de consument is dus niets meer dan misschien een kleine hapering in de speed-up; deze wordt hiermee niet gestopt.

Een oplossing?

We zien dus dat de economische macht van het geld zich voordoet in elk scenario dat we geschetst hebben, voortdurend te herleiden als een doorslaggevende factor binnen de op elkaar inwerkende machten van de verschillende actanten. Er lijkt dan ook geen manier te zijn om de speed-up volledig tot stilstand te brengen. Enkel wanneer de volledige consumentenmaatschappij unaniem zou besluiten om geen technologie meer te consumeren, dan zou de speed-up gestopt kunnen worden – en met grote gevolgen. We kunnen redeneren dat het niet aannemelijk is dat dit zal gebeuren, want is de maatschappelijke acceptatie van een technologie – die noodzakelijk is om überhaupt in ontwikkeling te gaan – niet juist een signaal dat de maatschappij de technologie omarmt en niet zonder wil? Dit moeten we wel los zien van de vraag of de motivatie hierachter nu misschien niet reëel is; deze kan ook ingelegd zijn door de commercie. Hoe dan ook volgt hieruit dat een consumentenmaatschappij zichzelf niet snel zal bewegen om de speed-up te stoppen.

We hebben geconcludeerd dat we binnen de diverse rollen, die mensen als actanten in kunnen nemen, voortdurend economische afwegingen terug zien komen in de manier waarop gehandeld wordt. Tegelijk zien we dat mensen wel in staat zijn tot handelen, waarbij echter zulke rigoureuze beslissingen genomen moeten worden die zo’n grote bereidvaardigheid vereisen dat we dit niet als vanzelfsprekend hoeven te verwachten. In onze beeldvorming moeten we daarom enerzijds erkennen dat de economische macht een dominante plaats inneemt, maar tegelijk dat we niet kunnen spreken van economisch determinisme. De economische druk is niet zo groot dat we er niet onder uit kunnen komen, al dwingt het mensen wel om zich te verenigen in groepen en unaniem keuzes te maken.

Dan rest de vraag wat we onder deze omstandigheden nog kunnen doen. Het mag inmiddels duidelijk dat het verantwoordelijkheidsgevoel door de economische macht eerder als roet in het eten wordt gezien dan als een belang. En waar we leven in een wereld die steeds dichter bij elkaar komt, wordt het belang steeds groter van die economische macht om het verantwoordelijkheidsgevoel weg te moffelen, uit het zicht te houden en te ondermijnen. De vraag die overblijft – en die we tot nu toe nog uit de weg zijn gegaan – is of we hier wat aan moeten doen.

Als enige mate van verantwoordelijkheid een rol speelt in wat ‘de mens’ is, dan moet een koers gezet worden die dit verantwoordelijkheidsgevoel voortdurend onder de aandacht brengt.Het brengt ons terug bij de vraag wat ‘de mens’ definieert, hoewel dat niet het doel van dit betoog is geweest. Het is een vraag die op veel manieren te beantwoorden is. Maar als enige mate van verantwoordelijkheid een rol speelt in wat ‘de mens’ is, dan moet een koers gezet worden die dit verantwoordelijkheidsgevoel voortdurend onder de aandacht brengt. En dan hebben we het niet eens per se over de verantwoordelijkheid naar elkaar, maar die naar onszelf. Want waar iedereen zich verantwoordelijk voelt voor elkaar, voelt de ander zich ook verantwoordelijk voor ons. Dan is het misschien simpel eigenbelang dat de doorslag geeft, maar het betekent dat in een wereld die steeds kleiner wordt, gezocht moet worden naar manieren om dit verantwoordelijkheidsgevoel aan het licht te brengen. En dat is niet in enig economisch belang, dat mag duidelijk zijn.

Waar moeten we dan aan denken als we het hebben over methodes om onszelf voortdurend te confronteren met dat verantwoordelijkheidsgevoel? Te denken valt aan organisaties die zich inzetten voor eerlijke handel, instanties die bewust de technologie – gefaciliteerd door de speed-up – gebruiken om de wereld erachter te zien, zoals de iPad-consument oog in oog kwam met de arbeider door het lezen van een nieuwsbericht (zij het niet doelbewust). Niets gaat vanzelf, dat mag duidelijk zijn, en zij die het verantwoordelijkheidsgevoel onder de aandacht willen houden, zullen hier hard voor moeten pleiten, zo begreep ook McLuhan:

Self-consciousness of the causes and limits of one’s own culture seem to threaten the ego structure and is, therefore, avoided. Nietzsche said understanding stops action, and men of action seem to have an intuition of the fact in their shunning the dangers of comprehension.
(1964, p. 105)

Bronvermelding

Deleuze, G. (1992). Postscript on the Societies of Control. Opgeroepen op 06 09, 2012, van JSTOR.org: http://www.jstor.org/stable/778828

Foucault, M. (1995). Discipline & Punish. (A. Sheridan, Vert.) New York: Vintage Books.

Hamel, E.-J. (2010, 05 28). Zelfmoordgolf in iPhone-fabriek. Opgeroepen op 06 09, 2012, van Webwereld.nl: http://webwereld.nl/nieuws/66114/zelfmoordgolf-in-iphone-fabriek.html

Khong, L. (2003, 11 06). Actants and enframing: Heidegger and Latour on technology . Opgeroepen op 06 09, 2012, van ScienceDirect.com: http://dx.doi.org/10.1016/j.shpsa.2003.09.003

Kostelanetz, R. (1967, 01 29). Understanding McLuhan (In Part). Opgeroepen op 06 09, 2012, van The New York Times: http://www.nytimes.com/books/97/11/02/home/mcluhan-magazine.html

Latour, B. (2005). Reassembling the Social. An Introduction to Actor-Network-Theory. New York: Oxford University Press.

McLuhan, M. (1977). Conversation with Mike McManus. (M. McManus, Interviewer) TVO.

McLuhan, M. (1964). Understanding Media: The Extensions of Man. Opgeroepen op 06 09, 2012, van BeforeBefore.net: http://beforebefore.net/80f/s11/media/mcluhan.pdf

Mous, A. (2012, 05 31). Arbeidsomstandigheden Foxconn nog steeds belabberd. Opgeroepen op 06 09, 2012, van Techzine.nl: http://www.techzine.nl/nieuws/30239/arbeidsomstandigheden-foxconn-nog-steeds-belabberd.html

Volkskrant. (2012, 3 12). Tóch barre arbeidsomstandigheden in Apple-fabriek in China. Opgeroepen op 06 09, 2012, van Volkskrant.nl: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3233150/2012/03/30/Toch-barre-arbeidsomstandigheden-in-Apple-fabriek-in-China.dhtml

Zuckerberg, M. (2009, 02 18). Update on Terms. Opgeroepen op 06 09, 2012, van Facebook: http://blog.facebook.com/blog.php?post=54746167130

Over de auteur

Steve Lock

Steve Lock houdt zich bezig met nieuwe media en communicatie in brede zin. In 2012 is Steve betrokken geraakt bij WordPress en internetmarketingbureau Sowmedia.nl, waar hij zich inzet voor de ontwikkeling van WordPress websites, het uitbrengen van communicatieadvies en voor de ontwikkeling van online diensten.

Nog geen reacties.

Geef een reactie